Ons Dorp

Ons dorp

Waar zijn de boerenmeid en boderijder gebleven? Wie heeft nu nog gehoord van vlastrekker? Veel van deze oude ambachten en beroepen zijn in de loop van de twintigste eeuw verdwenen. Aan de hand van sfeervolle foto’s uit de collectie van Henk de Wilde laten we in Ons dorp een bijzonder beeld zien van een tijd en een manier van werken in Wirdum die voorbij is. Deze stukken komen uit de rubriek Ons dorp uit de Rondom Wirdum, de dorpskrant. Voor wie er niet genoeg van kan krijgen of ze voor het eerst wil lezen: veel lees en kijkplezier! Met dank aan Henk de WIlde voor de foto's.

De redactie van Rondom Wirdum

Kuiper

Een foto voor de oude kuiperij die moet hebben gestaan waar nu de Kerkeweg 28 is op het hoekje met het Kerkepad. Het huis op deze foto is rond 1975 afgebrand. Moesker heette de kuiper/timmerman en later ook scheepstimmerman, waarover in het volgende nummer meer. Op de foto staan de heer Moesker met witte baard en zijn vrouw met hun dochter.

 

Elk dorp had vroeger timmerlieden, onmisbare vakmensen. Een speciale opleiding voor timmerman bestond niet. Als jongmaatje of krullenjongen leerde je het vak bij een timmerbaas. Langs de wanden van de winkel hingen boren, zagen en hamers in verschillende soorten en maten. Langs de muur van het Kerkepad stond de werkbank, de machines in het midden en in de hoek een klein kacheltje, dat niet alleen diende voor wat warmte, maar ook om lijm te koken, waar de timmerman onderdelen van hout mee aan elkaar lijmde. In een andere hoek lagen de krullen en het zaagsel. 

 

De timmermanswerkplaats zat in een apart aangebouwd gedeelte van het huis, waar ook de voorraad hout lag opgeslagen. Doorgaans was er veel hout in voorraad. In de hoedanigheid van kuiper maakte Moesker vaten, tobben en wielen. Verder moet je denken aan boerenwagens, wipkarren, kruiwagens, trappen, lijkkisten, hooirijven (hooiharken), spaden, stelen, en andere houten gebruiksvoorwerpen. Vroeger was je als kuiper dus nauw betrokken bij de dood. Binnen de kleine gemeenschap van het dorp kende men iedereen. Hoewel het een deel van het inkomen uitmaakte, zal het maken van lijkkisten niet gemakkelijk zijn gevallen. Lijkkisten waren bij Moesker op voorraad gelakt en al en stonden op de zolder. In de oorlog deden ze dienst om spullen in te verstoppen. Als er een lijkkist nodig was dan werd er een van zolder gehaald, opgepoetst en vanbinnen bekleed.

 

De kuiper en de boeren hadden een nauwe relatie met elkaar. De boeren gaven niet alleen de opdrachten om iets te maken, maar leverden ook de diverse houtsoorten, die de kuiper nodig had. Vroeger stonden rond de boerderijen verschillende soorten bomen. De kuiper was naast de klompenmaker de enige, die het boerenhout tot economische waarde kon brengen. We schreven al dat de kuiper gereedschap maakte. Dat was bepaald geen sinecure. In rechte stelen moet vanwege de sterkte en buigzaamheid de houtdraad recht lopen. Bij schopstelen moet in het gebogen ondereind, waarop bij het scheppen de grootste kracht wordt uitgeoefend, de houtdraad meebuigen om afbreken te voorkomen. Voor degene die zijn dagelijks brood moest verdienen met handgereedschap, zoals vroeger de landarbeider, was het uitermate belangrijk dat het gereedschap goed in de hand lag. De dikte van stelen was bijzonder belangrijk. De één had dikke handen met korte vingers, de ander had grote handen met lange vingers. Ieder had graag zijn eigen gereedschap.

Scheepstimmerman

Timmerman Moesker ging zich na verloop van tijd richten op het scheepstimmerwerk. De eerste opdrachten waren van Apol uit Wirdum, maar al gauw ging men ook werken voor Bodewes aan het Winschoterdiep, Gruno in Foxhol, Grol in Zuidbroek en ze reisden zelfs af naar Franeker. Op de foto zien we de heer Bolt staan naast het busje dat de werknemers naar de verschillende werven bracht.

In de hoogtijdagen had Moesker 13 mensen in dienst allemaal voor het scheepstimmerwerk. Veelal werkten ze met zijn allen aan een schip tegelijk. Daarbij moet je denken aan het betimmeren van stalen coasters of kustvaarders een typisch Gronings schip met wel lengtes tot 100 meter.

Één ploeg werkte op het schip aan de werf en de anderen in de werkplaats aan de Kerkeweg waar onder andere het hout op lengte werd gezaagd. Voordat de boomstammen tot planken werden gezaagd legde men ze vroeger een paar jaar in het water. Hierdoor losten de sappen van de boom grotendeels op en verdween eventueel ongedierte. Dit bevorderde de duurzaamheid van het hout. In het Maar voor zijn huis lag het scheepshout in het water om in te wateren. Dat gebeurde overigens niet meer in de tijd dat de heer Bolt er werkte. Best wel bijzonder in de begintijd was dat Moesker al een machinale timmerplaats had met een lintzaag en vandiktebank. Van buiten werd door het raam het hout naar binnengeschoven. De lintzaag was zeer geschikt om lange zaagsneden te maken en daardoor konden ook grote dikten worden doorgesneden. De vandiktebank schaafde hout aan twee zijden zuiver op breedte en dikte. Voor het buitenwerk van de schepen werd Javateak gebruikt vanwege zijn grote duurzaamheid, geringe krimp en werking. Binnen in het schip werd gebruik gemaakt van vurenhout afgetimmerd met triplex. Naast het zagen werd ook al het meubilair voor het schip in de werkplaats gemaakt. Om een indruk te krijgen:

Een coaster was voorzien van een houten stuurhut en daaronder zat de salon en slaapvertrek voor de kapitein. De stuurman en machinist hadden een zogenaamde schuifkooi waar het bed werd uitgetrokken en ook hadden zij het gebruik over een schrijfbureau vanwege hun werkzaamheden. Daarnaast waren er minimaal 4 hutten voor de matrozen. Ook was er een kok aan boord die een kombuis had om in te koken en er was een mess, de kantine. Maar dan nog was het houtwerk op het schip niet klaar. Rondom de houten stuurhut moesten houten dekken worden betimmerd en de buikdenning was ook van hout. Dit is de vlakke vloer van het laadruim van een schip. Dat de stuurhut van hout was, had zo zijn reden. Het kompas staat hierin. Omdat het kompas magnetisch is, maar het staal ook zijn eigen magnetische velden heeft, moet dit kompas gecompenseerd worden.

De scheepstimmermannen gingen gewoon mee terwijl het schip naar de haven in Delfzijl voer voor het compenseren. In de haven stond namelijk een kompaspaal waar omheen de coaster ronddraaide totdat het kompas goed op het noorden was afgesteld. Een mooi beeld, terwijl de boot ronddraait er druk wordt doorgetimmerd. 

 

Slachtmaand

De traditionele slachtmaand was november: in najaar en winter werden de huizen warm gestookt, zodat het vlees gedroogd en geconserveerd kon worden. Op de dag van de slacht werd het varken door een keurmeester goedgekeurd en daarna was de slachter aan de beurt. De plek voor de slacht werd klaargemaakt, vaak niet meer dan een grote staldeur of paneel met een paar balen hooi eronder. Sommigen hadden een aparte slachtladder om het varken bij de slacht aan op te hangen, zoals hier op de foto is te zien. Op de foto, gemaakt in 1964, staat mevrouw Noot die toentertijd woonde aan de Wirdumerweg 19 waar nu Boelo en Gonny Schuurman wonen. Als het water in de ketels kookte werd het nuchtere varken opgehaald. Het varken had 24 uur voor de slacht geen voedsel meer gehad. Dan was het vlees beter houdbaar en had men minder last van de darminhoud. Het uitstromende bloed werd in teilen en emmers opgevangen en men moest hierin blijven roeren anders ging het bloed stollen. Dat werd onder andere gebruikt om bloedworst te maken. De ingrediënten van een originele Grönneger Bloudwòrst zijn: varkensbloed, roggemeel, gort, vetspek, kruidnagel, stroop en rozijnen.

 

Met het kokende water werd het beest gespoeld en onthaarde men de huid met speciale krabbers. Vervolgens werd het varken met de kop naar beneden aan de ladder gebonden. In een schone teil werden de ingewanden opgevangen. De darmen werden apart leeg gemaakt en schoongespoeld om later gevuld te worden voor de te maken worsten.  De varkensblaas was steevast voor de jeugd. Opgeblazen en gedroogd kon je er naar hartenlust mee voetballen. Het varken bleef nu aan de ladder hangen, zodat het vlees kon besterven.

De volgende dag kwam de keurmeester weer langs om het vlees nu echt te keuren. Goedgekeurd vlees kreeg dan van de keurmeester een stempel met blauwe (bosbes) inkt. De slager kon het nu verdelen en uitbenen. Spek werd er als eerste afgesneden. Los vet werd apart bewaard. Er werd niets weggegooid, alles kon men gebruiken. In die tijd, bestonden er nog geen diepvriezers en vlees is aan bederf onderhevig. Daarom werden alle technieken van het conserveren uit de kast gehaald, het zouten, roken, drogen, wekken en onder het vet zetten. De kop en alle andere overgebleven stukken vlees moesten dan worden verwerkt. De kop werd opgezet en gaargekookt. Het vlees werd gebruikt voor zure zult en kopkaas. Ook het vet werd uitgesmolten en in een vetpotje bewaard. Wat overbleef van het vet uitsmelten waren de kaantjes: een lekkernij die vaak gelijk voor een gedeelte met zout bestrooid werden opgegeten. Van de lever werden leverworsten gemaakt, maar ook zo in plakken gesneden om later te worden gebakken. Het resterende vlees werd vaak door de vleesmolen gedraaid om grovere of fijnere gehakt van te maken. De winter kon beginnen.

 

De smederij

Deze foto uit 1930 is van Rienko Moedt die hem kreeg van Having Steenhuis Geertsema, maar zo zei de heer Moedt: “Dat is Having vast vergeten!” vlnr: Smid Van der Heide, Johannes Steenhuis Geertsema en Hendrik Koster.

In 1892 stond hier al een smederij en woonde hier smid Roelf van der Veen. De smederij stond op de plek waar nu de tuin is. Van der Veen verkocht het pand aan Kornelis de Keizer. Uit de koopakte blijkt dat hij het in 1924 verkocht aan Van der Heide, smid te Eenum. In het koopcontract werd opgenomen dat het Keizer verboden was om in Wirdum een smederij of rijwielhandel uit te oefenen, of daarbij betrokken te zijn op straffe van vijfduizend gulden boete. Een ongekend hoog bedrag voor die tijd als men bedenkt dat een landarbeider tien gulden in de week verdiende. Aan het eind van de jaren twintig brandde het pand tot aan de grond toe af. Van der Heide gaf toen opdracht om een nieuw huis en smederij in Amsterdamse stijl te bouwen, zoals het er nu staat aan de Kerkeweg 20. Het pand werd in 1934 verkocht aan Heine Scholtens en hij dreef de Smederij van 1934 tot 1974.

De dorpssmid was vroeger van alle markten thuis. Hij repareerde landbouwmachines, voorzag de paarden van hoefijzers, maakte tuingereedschappen als spades en schoffels, verkocht kachels en repareerde die ook. Daarnaast deed hij zinkwerk, gas- en waterfitwerk en het maken en repareren van allerlei ijzerwerk. De smederij was links en in het midden was de winkel. Daar werden huishoudelijke artikelen verkocht. Het werk van een smid was puur vakmanschap. Wagenwielen werden door de smid van een stalen hoepel voorzien. De hoepel werd verhit op een cirkel van brandende turf en vervolgens met vier man met tangen opgetild en om het houten wiel geslagen. Doordat het ijzer afkoelde, kromp het en zat de stalen band muurvast om het rad. Het paste altijd precies.

Scholtens had in de goede jaren drie medewerkers in dienst, waarvan er één intern was. Die moest in een klein knechtenverblijf op zolder slapen in de schuur. Daar kon net een bed staan en er was een vaste kast. In de schuur was een toilet met een emmer, deze moest het personeel gebruiken. De schuifdeuren vanuit de schuur naar de werkplaats hadden een klein luikje om stiekem te kijken wie al of niet aan het werk was, of wie er als klant in de smederij stond. Later zijn ze begonnen met fietsen maken. Het werk voor de boeren werd steeds minder. Er kwamen grotere landbouwmachines, de bedrijven die ze verkochten repareerden ze ook zelf. Na de oorlog was er genoeg werk en alles kwam weer tot bloei. Er werd aardgas gevonden. De mensen kregen een aardgasaansluiting en de dorpssmid mocht die aansluitingen verzorgen. In 1974 is Scholtens gestopt met zijn smederij en heeft het huis een woonbestemming gekregen.

Hooien

Op de foto vlnr: T. Bos op de hooischudder (Enzelens), Derk Jan Huisman (Wirdumermeeden), Geert Bos (Wirdum), Jan Bakker (Wirdum) en Albert de Lange op de hooiwagen (Uitwierde). Zij staan hier op het land van T. Bos in 1933 tegenover Van Heuveln Stadsweg 7.

Omstreeks 1900 werd het oogsten van hooi eenmaal per jaar gedaan en dat gebeurde in de maanden juli en augustus.  Voor de komst van de mechanisatie in de loop van de jaren dertig werd het gras met de hand gemaaid. Dat gebeurde vooral door ingehuurde professionele handmaaiers tegen een dagloon. Het maaien was typisch mannenwerk. Dat gebeurde gelijktijdig door een aantal mannen, die met hun zeisen een aaneengesloten brede strook land in één keer afwerkten. Na het met de hand maaien bleef het gras een paar dagen liggen om te drogen en werd tussentijds een paar keer gekeerd om het drogen te versnellen. Het harken en keren werd hoofdzakelijk door vrouwen en kinderen gedaan. De boerenkinderen van de lagere school kregen in juli hooibouwverlof om te helpen met het hooien. Als het hooi voldoende was gedroogd werd het op rijen geharkt en vervolgens op hopen (oppers) gezet. Het gras was dan tot 40% vocht ingedroogd. Op de foto zien we de mannen”opschieten”, ofwel het hooi omhoog steken op hooivorken met extra lange steel, de zogenaamde ‘schootvork’.De Lange pakte het hooi aan en legde het op de wagen. Dat was een heel precies werkje, want hoe meer hooi je op de wagen mee kon nemen, hoe beter. Soms zaten er aan de wagen zijschotten van 30 á 40 centimeter. Dat maakte je eerst vol en daarna begon je de wagen uit te bouwen, steeds verder over de rand, zodat de wagen uiteindelijk flink wat breder werd. Je droeg altijd lange mouwen als je het met de hand laadde, want het hooi prikte. Een gevaar dat altijd op de loer lag was hooibroei dat ontstaat als hooi niet droog genoeg is. Om de precieze plek van de broei op te sporen, liep men langs het hooi te snuffelen. omdat hooibroei een speciale geur heeft, als zware tabak  Als er broei dreigde, moest de berg snel uit elkaar worden getrokken. Broei kwam bij iedere boer wel eens voor. Met een beetje pech brandde de schuur af en nam de brand niet zelden de hele boerderij in vlammen mee. Zoiets kon tot ver midden in de winter gebeuren, zelfs als het ijs al op de ijsbaan stond.

De Schilder

Liefde voor het ambacht, goede verf en goed gereedschap - dat zijn de drie voorwaarden voor het maken van goed schilderwerk. Door de eeuwen heen bleef dat onveranderd en werd het schildersvak vroeger van vader op zoon doorgegeven. Op de foto zien we de vader van Johannes Bos aan het werk op de boerderij aan de Wirdumerweg 3. Johannes wist ons te vertellen dat zijn pa al op jonge leeftijd begon in het schildersvak. Eerst was hij leerling schilder bij Schrikkema die zijn winkel had aan de Fromaweg in de jaren twintig. Vroeger werd verf gemaakt van kleurstoffen die moeder aarde ons bracht en met lijnolie tot verf werd vermengd. Kleuren als koolteer, koegeltjesblaauw, ossenbloedrood en klompengeel. Daarnaast gebruikte men al een soort van menie die volgens de overlevering ‘godsellendig’ stonk omdat de bloedplamuur, zoals het werd genoemd eerst een dag ‘in de rot’ moest staan. Er waren geen conserveermiddelen. Ossenbloed of koeienbloed werd aangedikt met krijt, pijpaarde, zinkwit (voor binnen) en loodwit (voor buiten) in ongeveer gelijke porties, iets meer bloed dan (gekookte) lijnolie. De bloedplamuur werd toegepast bij onder meer dorpels, houten wielen, ijzeren deuren, staldelen, houten gebinten, en op schoorstenen tegen vochtdoorslag. 

Eertijds maakte de schilder zijn kwasten uit een bosje varkenshaar dat hij met een touw om een steel bond. Na een nacht in het water was het hout uitgezet, het touw gekrompen en zat het bosje varkenshaar stevig om de steel. De kwast was klaar voor gebruik, al duurde het nog even, voordat de streek van de schilder erin zat. Op de foto zien we Bos in een witte schilderjas. Schilders maakten hun verf zelf. Omdat gekleurde kleding bij het mengen van verf dit beïnvloedde, bleek wit de beste kleding. Witte of lichte verf aanmaken bij het dragen van bijvoorbeeld rode kleding geeft een roze zweem aan de witte verf. Met witte kleding voorkom je dat omdat wit geen kleur is.

Toen Johannes Bos zijn vrouw huwde in 1964, betrokken ze de schilderwoning aan de Wirdumerweg en daar wonen ze nog steeds. Aan huis hadden ze een verf- en behangzaak die mevrouw Bos bestierde. Toen in de jaren zeventig de Gamma als eerste bouwmarkt zijn intrede deed duurde het niet lang meer totdat de familie Bos de deuren sloot van hun winkel. De verf en het behang werden in Appingedam gekocht en voor de vergeten kwast kwamen ze naar Bos, vaak ook nog na sluitingstijd. Dat was voor Bos niet vol te houden.

De varkensboer

Op de foto staat varkenshouder Huistra die aan de Eekwerdermeedenweg 1 zijn bedrijf had. Een unieke foto want de zwartbonte varkens, beter bekend als de Bonte Bentheimer,  waren 25 jaar geleden bijna uitgestorven. Het Duitse Bentheim, Cloppenburg en Wettringen zijn het oorsprongsgebied van de Bonte Bentheimer. Begin 1800 was men in Noord-Duitsland niet tevreden over hun huisvarkens. Als de boeren vroeger een varken slachtten ging het erom wie de meeste spek had. Daarom kruisten de fokkers het Marschschwein met Engelse beren. Tot de jaren ‘50 van de vorige eeuw was de Bonte Bentheimer een veel voorkomend ras. Toen stokte de populariteit. Het varken heeft namelijk de aanleg om vet in het vlees te hebben en in deze periode moest er juist zo weinig mogelijk spek aan het vlees zitten. Sinds twintig jaar beleeft het Bonte Bentheimer varken echter weer een bloeiperiode. Vele eigenschappen maken de Bonte Bentheimer tot een ras wat in stand moet worden gehouden: de vleeskwaliteit, robuustheid, vitaliteit, vriendelijkheid en moedereigenschappen.

Het varken is altijd een vaste bewoner van boerenbedrijven geweest. Een beetje boer had vijf of zes varkens. Varkens waren natuurlijk leveranciers van spek en vlees, maar ze ploegden ook de akkers om en zorgden voor bemesting van grond. Varkens waren ook geen dure kostganger; ze verwerkten al het afval en de bijproducten van de boerderij. Vroeger bevatte het voer ook koper, omdat koper de groei van schadelijke bacteriën remt waardoor de varkens beter groeiden. Later is het koper vervangen door antibiotica. Als de varkens vet genoeg waren werden de varkens nog op de boerderij geslacht.  Alles werd gebruikt. Met de ogen kon je knikkeren, de darmen werden gebruikt om er worst  van te maken. De hammen werden gedroogd en in de kelder opgehangen.  Ook de varkensstal maakte een grote ontwikkeling door. Vroeger gebruikte men een hoek op het achterhuis dat uit enkele planken was getimmerd.  In de jaren ’60 werd er begonnen met het houden van varkens in aparte stukken stal, of men bouwde zelfs een aparte stal zoals bij Huistra het geval was. Toen de roostervloer zijn intrede deed werd het mogelijk om veel meer dieren te houden die ook nog eens veel zuiverder te houden waren.

De melkboer

Een foto uit de jaren vijftig met melkboer Hendrik Pentinga. Hij fietst hier op de Wirdumerweg die toen nog zonder tussenkomst van de N346 van de Wirdumerdraai tot in Wirdum liep. Melle de Jong was eerst melkboer. Hij woonde bij de familie Pentinga in. Toen hij ziek werd nam Hendrik het over. Pentinga had een bakfiets waarmee hij melk uitventte. Melk werd met een kraantje getapt en zoepenbrij (‘zoepen’ is het Groningse woord voor ‘karnemelk’) werd met een litermaat uit de melkbus gehaald. In het kastje op de bakfiets zat boter. 

De melkboer stond vroeg op. Op de fiets ging je langs de boeren om melk te halen. Vaak ook op zondag, want de mensen wilden elke dag verse zuivel en een koelkast had toen niemand. Wat overbleef van de verkoop, werd direct gekarnd. De karn was een vierkante ton. Door aan een hengsel te draaien werd een spaan met daarin gaten in beweging gebracht en de melk ‘gekarnd’. Na twintig minuten was er een dikke laag boter gevormd bovenop de melk. Dat werd er met een schuimspaan afgehaald. Door de rest van de melk nog eens twintig minuten door te roeren ontstond er karnemelk. Als je dan nog warm water toevoegde voorkwam je verzuring. 

In Wirdum klinkt nog steeds het luiden van de zoepenbrijklok. Wanneer vroeger rond twaalven de klok klonk, was het tijd voor het middageten en dat heette de zoepenbrijklok.  In die tijd bestond vrijwel elke maaltijd uit zoepenbrij. Brood was voor de gewone man nauwelijks te betalen. Je begon 's morgens vroeg met roggebrood en zoepenbrij, om twaalf uur kreeg je dan stamppot met zoepenbrij toe en 's avonds weer zoepenbrij en opgewarmd eten.

De overheid legde in de loop van de twintigste eeuw steeds meer regels op om de gezondheid en de kwaliteit van de melk te waarborgen. Melk bleek namelijk de veroorzaker van veel epidemieën (tyfus, difterie, tbc) door de slechte hygiëne op de boerderijen en in de melkwinkel. In 1925 werd de melkkeuring verplicht. De Zuivelwet van 1932 regelde het vaststellen van de melkprijzen, stelde eisen aan de vakbekwaamheid van de melkboer en introduceerde een uitgebreid stelsel van vergunningen met premies voor een hygiënische bedrijfsvoering. In 1935 kwam er een ventverbod voor de zondag. De melkwijk werd overgenomen door Paul Hofstede uit Tjamsweer. Hij kwam dagelijks met een bestelwagen met zuivelproducten. Toen Hofstede stopte met de verkoop van melk en aanverwante artikelen kwam er dagelijks de rijdende winkel van bakker Spithorst uit Garrelsweer en in Wirdum, waar toen nog veel gebruik van werd gemaakt.

 

De Boderijder

Op de foto, genomen rond 1920 - 1925 staan bode Noordewier met zijn paard en wagen en rechts van hem Antje Noordewier. De eerste boderijders in Wirdum waren Noordewier (Fromaweg 14) en Groen (Pruimlaan 6). Eeuwenlang waren de wegen in Groningen, slecht begaanbaar. Het waren klei- of zandwegen, die een deel van het jaar herschapen werden in bijna onberijdbare modderpoelen. Alleen in de dorpen en steden had men een bestrating. Noordewier kwam met zijn paard en wagen niet verder dan Loppersum en Appingedam. Groen had eerst een snik en vervoerde zijn goederen over het water als beurtschipper. Toen de mobiliteit toenam heeft hij een vrachtauto aangeschaft om de goederen naar Groningen te brengen. Toen Groen in 1935 stopte heeft Hartog het boderijden overgenomen. 

 

Twee keer per week reed hij met de 6 tons Chevrolet vrachtauto naar het Bodeterrein in Groningen waar allerhande stukgoederen werden gelost en geladen voor de inwoners van Wirdum. Wirdum had in die jaren een enorme bedrijvigheid waarvoor goederen naar Groningen moesten worden gebracht of uit Groningen worden gehaald. Hartog had het verzamelpunt van eieren, die werden afgeleverd bij de coöperatie in Groningen. Daarnaast werden lege zuurstofflessen voor scheepswerf Apol naar Groningen gebracht om ze daar weer met zuurstof te vullen. De lege koektrommels van de bakkers gingen terug naar de leveranciers om ze van nieuwe koekjes te voorzien. Vanuit Groningen werden goederen  naar Wirdum vervoerd, zoals zakken meel en rozijnen voor de bakkers, hoefijzers voor de smid en schoenen voor de schoenlapper.  Naast het boderijden werd veel werk verzet voor de boeren, zoals het vervoeren van granen, kunstmest en aardappels. Ook verhuizingen werden met de Chevrolet gedaan. Als klein jongetje ging zoon Henk met vader mee om te helpen met laden en lossen van de goederen. Na het behalen van zijn rijbewijs nam hij een groot deel van de werkzaamheden over. Na de pensionering van pa nam hij het bedrijf over. Doordat veel bedrijven na de oorlog eigen vrachtauto’s gingen inzetten om hun producten bij hun klanten af te leveren verdween langzamerhand de functie van de boderijder. De werkzaamheden in de agrarische sector werden in de jaren 70 de hoofdmoot voor het transportbedrijf. Inmiddels had kleinzoon Jan in de jaren 80 zijn ‘groot’ rijbewijs behaald waardoor hij de familietraditie kon voortzetten. Het bedrijf werd vaste vervoerder voor de Aankoop Centrale Groningen. Hiervoor werden granen, diervoerders en kunstmest vervoerd. Door het afnemen van het aantal boeren kwam aan deze werkzaamheden in 1998 een eind. Jan vervoert sindsdien met z’n 410 pk truck en z’n 30 tons trailer stukgoederen in de Benelux en Duitsland.

De Vlastrekker

Op deze foto hieronder uit 1925 staan vlastrekkers bij Steenhuis - Geertsema.

Tot 1970 werd in de provincie Groningen veel vlas verbouwd. Het zaad van vlas is lijnzaad. Vroeger gebruikte men nog niet veel kunstmest. De vruchtbaarheid van het land werd vergroot door vruchtwisseling. De verbouw van vlinderbloemigen, (zoals erwten, bonen en klaver) en vlas, gewassen die weinig stikstof vroegen, werd afgewisseld met de teelt van bieten en aardappelen, gewassen die meer stikstof nodig hadden. Granen, zoals tarwe, haver en gerst behoorden, wat de bemesting betrof, tot de middengroep. 

In maart werd het vlas gezaaid en kort nadat het vlas opgekomen was werd begonnen met het wieden. De zaadonkruiden werden weggeplukt en onkruid werd met een mesje weggestoken. Wanneer de weersomstandigheden het toelieten, werd het wieden herhaald bij een vlashoogte van 15 cm. Ook bij de oogst, rond half juli, waren veel arbeiders nodig. Het vlas werd met de hand getrokken. Het vlastrekken werd gedaan in koppels van 25 tot 40 personen en zoals op de foto is te zien door mannen, vrouwen kinderen. 

Elk persoon (of gezin) bepaalde de breedte van het stuk wat je dacht aan te kunnen. Meestal trokken de mannen het vlas en bonden de vrouwen en kinderen het vlas in schoven. Een schoof werd gemaakt van drie volle handen vlas. Je werd per schoof betaald. 

In de wintermaanden werd het vlas gerepeld, het verwijderen van de zaadbolsters en het kammen van het vlas. Uit het lijnzaad werd olie geperst en gebruikt voor verf. Het vlas werd geschikt gemaakt voor het spinnen van fijne garens die geweven werden tot doek en na bleking gaf dit linnen. Voor de werkgelegenheid was de teelt van vlas jarenlang zeer belangrijk. In de jaren vijftig ging men over tot het gebruik van onkruidverdelgers. Er kwamen vlasplukmachines en toen er steeds minder landarbeiders beschikbaar waren, werd ook overgegaan op machinaal repelen. Na 1960 nam de teelt van vlas af en werd er op het Groninger land vrijwel geen vlas meer verbouwd

 

De Vlastrekker

Op deze foto hieronder uit 1925 staan vlastrekkers bij Steenhuis - Geertsema.

Tot 1970 werd in de provincie Groningen veel vlas verbouwd. Het zaad van vlas is lijnzaad. Vroeger gebruikte men nog niet veel kunstmest. De vruchtbaarheid van het land werd vergroot door vruchtwisseling. De verbouw van vlinderbloemigen, (zoals erwten, bonen en klaver) en vlas, gewassen die weinig stikstof vroegen, werd afgewisseld met de teelt van bieten en aardappelen, gewassen die meer stikstof nodig hadden. Granen, zoals tarwe, haver en gerst behoorden, wat de bemesting betrof, tot de middengroep. 

In maart werd het vlas gezaaid en kort nadat het vlas opgekomen was werd begonnen met het wieden. De zaadonkruiden werden weggeplukt en onkruid werd met een mesje weggestoken. Wanneer de weersomstandigheden het toelieten, werd het wieden herhaald bij een vlashoogte van 15 cm. Ook bij de oogst, rond half juli, waren veel arbeiders nodig. Het vlas werd met de hand getrokken. Het vlastrekken werd gedaan in koppels van 25 tot 40 personen en zoals op de foto is te zien door mannen, vrouwen kinderen. 

Elk persoon (of gezin) bepaalde de breedte van het stuk wat je dacht aan te kunnen. Meestal trokken de mannen het vlas en bonden de vrouwen en kinderen het vlas in schoven. Een schoof werd gemaakt van drie volle handen vlas. Je werd per schoof betaald. 

In de wintermaanden werd het vlas gerepeld, het verwijderen van de zaadbolsters en het kammen van het vlas. Uit het lijnzaad werd olie geperst en gebruikt voor verf. Het vlas werd geschikt gemaakt voor het spinnen van fijne garens die geweven werden tot doek en na bleking gaf dit linnen. Voor de werkgelegenheid was de teelt van vlas jarenlang zeer belangrijk. In de jaren vijftig ging men over tot het gebruik van onkruidverdelgers. Er kwamen vlasplukmachines en toen er steeds minder landarbeiders beschikbaar waren, werd ook overgegaan op machinaal repelen. Na 1960 nam de teelt van vlas af en werd er op het Groninger land vrijwel geen vlas meer verbouwd

 

Bovenste rij van links naar rechts; Marie Bolt, Aaltje van Heuveln, vr Schutter, Jan Oskamp, vr Oskamp, Harm Kort, vr Kort, vr Bos, Geert Bos. Tweede rij; Aaltje Schaaphok, Tjitske/Annie de Jong, Gini de Wilde, Rika Huizinga, Aaltje Wilderman, Geertje Hagelvlag, Hindrikje van Heuveln. Derde rij; Tinus Schaaphok, Aaldrik de Wilde, Piet Huttema, Dienko Blaauw, Paul Schilthuis, Antje Wals, Roelf Wals, …, Fré Harmanni (met pet), …. .

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

29.07 | 18:33
Mooi Wirdum heeft ontvangen 4
14.07 | 13:14
Ons Dorp heeft ontvangen 4
10.07 | 21:01
Stoepstrunen heeft ontvangen 1
05.06 | 00:42
Versterking Kerkeweg heeft ontvangen 1
Je vindt deze pagina leuk